Overheid en de brede school

De bestuurlijke overheid bestaat uit gemeente, provincie en rijk. Die besturingsniveaus spelen ieder een rol in de ontwikkeling van brede scholen. De partners in een brede school hebben het meest te maken met de gemeente. De gemeente heeft vaak een regierol bij de totstandkoming van brede scholen. Meer op de achtergrond bieden rijksoverheid en provincies aan gemeente en partners ondersteuning door middel van subsidies, het wegnemen van belemmeringen in wet- en regelgeving, communicatie en informatie.

Wie is er betrokken vanuit de gemeente?

Binnen de gemeente zijn meerdere partijen die ieder hun eigen rol spelen in het proces:

  • het college van B&W;
  • de gemeenteraad;
  • de ambtelijke organisatie.

Binnen de ambtelijke organisatie gaat het om de ‘zachte’ afdelingen in de maatschappelijke sector, onderwijs(huisvesting), welzijn, zorg, sport en cultuur en, vooral bij nieuwbouw, de ‘harde’ sectoren stedenbouw, ruimtelijke ordening en financiën. Soms is ook de afdeling Sociale Zaken betrokken via het minimabeleid. De voorstellen die tot stand komen door overleg tussen de instellingen en de gemeentelijke afdelingen worden afgewogen door het college van B&W en de gemeenteraad. Die beslissen uiteindelijk over de gemeentelijke rol en het beleid ten aanzien van de brede school.

Voor een goede ontwikkeling van de brede school in de gemeente is het belangrijk dat er een ambtelijke werkgroep is of in ieder geval goede afstemming plaatsvindt tussen de meest betrokken ambtenaren en de verantwoordelijke wethouder. Intersectorale samenwerking moet tenslotte niet alleen in het veld, maar ook op het gemeentehuis plaatsvinden.

Meerwaarde voor de overheid

De overheid gaat ervan uit dat brede scholen een maatschappelijk rendement opleveren: een inhoudelijke meerwaarde voor de samenleving door betere voorzieningen voor kinderen, ouders en buurtbewoners. Daarnaast rekent zij op economisch rendement, zoals minder schooluitval, betere doorstroom naar vervolgonderwijs, meer kansen op de arbeidsmarkt en verhoogde arbeidsmarktparticipatie van werkende ouders. Ook verwacht men dat het bijeenbrengen van voorzieningen efficiencyvoordelen zal hebben (hoewel dat bij intensiever gebruik nog valt te bezien). Voor de gemeentelijke organisatie heeft de brede school een intrinsieke meerwaarde: zij geeft een impuls aan de doelmatigheid van het beleid, omdat er een beroep wordt gedaan op vraaggericht werken en samenwerking tussen de verschillende afdelingen van het gemeentelijk apparaat.

Gemeenten zijn sinds 1 januari 2015 verantwoordelijk voor alle hulp aan kinderen, jongeren en opvoeders. In het lokaal jeugdbeleid kan de nadruk onder andere liggen op talentontwikkeling en op de samenhang tussen de verschillende voorzieningen. Dit sluit aan op de pedagogische uitgangspunten van de brede school.

De bijdrage van de gemeente aan brede scholen

De gemeente heeft ‘de regie’. Dat is een dynamisch begrip: op bepaalde momenten moet de gemeente het voortouw nemen, subsidie toekennen of toezien op de naleving van de afspraken. Op andere momenten geeft zij andere partijen de ruimte om zelf initiatieven te ontplooien. Dit zijn de belangrijkste taken van de gemeente:

  1. De brede school op de agenda zetten, in samenhang met andere beleidsonderwerpen, bij voorkeur op de lokale educatieve agenda of een bredere agenda voor onderwijs- en jeugdbeleid.
  2. Partijen bij elkaar brengen: schoolbesturen, woningcorporaties, zorg- en welzijnsinstellingen, kinderopvang, sportverenigingen en de culturele sector.
  3. Duidelijke afspraken maken over de te bereiken doelen en ieders bijdrage daaraan en die afspraken vastleggen in een convenant.
  4. De vinger aan de pols houden bij de uitvoering en zorgen dat afspraken worden nagekomen, onder andere door gebruik te maken van de positie van de gemeente als subsidieverstrekker.
  5. Speelruimte creëren voor de partijen door beleid en middelen te ontschotten en te streven naar een structurele (of op zijn minst meerjarige) financieringssystematiek.
  6. Voortgang en resultaten monitoren: het rendement van alle inspanningen bepalen en terugkoppelen naar de betrokken partijen.

De provincie

Provincies spelen meestal geen opvallende rol, maar sommige provincies hebben specifiek brede school beleid geformuleerd. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij subsidies verlenen of onderzoek laten uitvoeren. De provinciale taak op het gebied van onderwijs is beperkt en de taak op het gebied van jeugdzorg is overgeheveld naar de gemeente. Er zijn wel in iedere provincie steunfuncties voor welzijn en cultuur. Ook op het gebied van ruimtelijke keuzes heeft de provincie een rol.

H2 Het Rijk

Het kabinet heeft in het regeerakkoord 2007 aangegeven de ontwikkeling van brede scholen te steunen. Kenmerkend voor de verankering in beleid en praktijk is de toegenomen aandacht van de rijksoverheid voor de brede school.

Het Rijk heeft er niet voor gekozen om de brede school ontwikkeling op gemeentelijk niveau financieel te ondersteunen. Ook stelt de rijksoverheid geen scherpe definitie voor de brede school, omdat men dit als een zaak van de lokale partners beschouwt.

Beleidsinzet Rutte I

  • Pilot ‘Gemeentebrede dagarrangementen’: deze pilot is gericht op het inventariseren en analyseren van knelpunten, belemmeringen en oplossingen bij het realiseren van gemeentebrede volledig sluitende dagarrangementen. De sluitende dagarrangementen moeten bij voorkeur toegankelijk zijn voor alle kinderen en minimaal voor kinderen van ouders die arbeid en zorg combineren. De pilot loopt van 1 juni 2012 tot 1 juni 2015 en wordt uitgevoerd binnen de bestaande juridische en financiële mogelijkheden. De gemeenten Nijmegen, Wijchen en Zaanstad zijn geselecteerd voor deelname aan de pilot.
  • Monitor 5-gelijke dagenmodel bij dit model is er sprake van 5 identieke schooldagen (vaak van 8u-14u) met een korte lunchpauze en lange bso-middagen. De SER ziet dit model als een belangrijke stimulans voor de arbeidsparticipatie. Met de monitor worden de gevolgen van het 5-gelijkedagmodel voor het onderwijs, de arbeidsparticipatie, het gebruik en de kosten van de kinderopvang en de tevredenheid van ouders, leerkrachten en de pedagogisch medewerkers in kaart gebracht. Looptijd t/m schooljaar 2013-2014.
  • Experiment Flexibele onderwijstijd: binnen dit experiment mogen de deelnemende scholen ook tijdens de verplichte zomervakantie onderwijs geven. Dit maakt het mogelijk jaararrangementen aan te bieden waarmee knelpunten voor ouders tijdens de zomervakantie kunnen worden weggenomen. Looptijd t/m schooljaar 2013-2014.
  • SZW en OCW subsidieren het Landelijk Steunpunt Brede Scholen (het Steunpunt). Het Steunpunt ondersteunt scholen, kinderopvangorganisaties, gemeenten en andere organisaties bij de ontwikkeling van brede scholen en integrale kindcentra.

Regeerakkoord ‘Bruggen slaan’, Rutte II

  • Het regeerakkoord zegt dat onderwijs, kinderopvang, peuterspeelzalen en voor- en vroegschoolse educatie op elkaar afgestemd moeten zijn. Bij de buitenschoolse opvang is afstemming noodzakelijk om waar mogelijk een sluitend dagarrangement te realiseren, bijvoorbeeld in het kader van de brede school of integrale kindcentra. Ouders kiezen de voorziening die het beste bij hun kind past.
  • Dit sluit aan bij het reeds ingezette beleid en de ontwikkelingen in de praktijk. Het realiseren van sluitende dagarrangementen is ook mogelijk binnen de huidige juridische en budgettaire kaders.
  • Echter vanuit het veld wordt aangegeven dat er praktische belemmeringen zijn bij de verdergaande samenwerking tussen de school en de buitenschoolse opvang. Vaak genoemd worden verschillen in wet- en regelgeving en cao’s.
  • Uit de bestaande pilots en experimenten moet blijken of er werkelijk sprake is van belemmeringen of dat het vooral perceptie is. Daadwerkelijke belemmeringen worden waar mogelijk weggenomen.

2007: Impuls brede scholen, sport en cultuur
Op 10 december 2007 hebben de bewindslieden van OCW en VWS en de organisaties VNG, NOC*NSF, VBS (namens de gezamenlijke bestuurlijke onderwijsorganisaties) en de Cultuurformatie  de kaderstellende overeenkomst ‘Bestuurlijke afspraken Impuls brede scholen, sport en cultuur’ ondertekend. Hiermee heeft het Rijk samen met gemeenten en de onderwijs-, sport- en cultuursector een structurele impuls willen geven aan de realisering van in totaal 2.250 fte  combinatiefuncties onderwijs, sport en cultuur in 2012.

Doelstellingen Impuls
De Impuls brede scholen, sport en cultuur had meerdere doelen:

  • De uitbreiding van het aantal brede scholen met sport- en cultuuraanbod in zowel het primair als het voortgezet onderwijs, om te beginnen in de veertig krachtwijken.
  • De versterking van sportverenigingen met oog op hun maatschappelijke functie en de inzet van sportverenigingen voor het onderwijs, de naschoolse opvang en de wijk.
  • Het stimuleren van een dagelijks sport- en beweegaanbod op en rond scholen voor alle leerlingen.
  • Het bevorderen dat de jeugd tot 18 jaar vertrouwd raakt met één of meer kunst- en cultuurvormen en het onder jongeren stimuleren van actieve kunstbeoefening.

2012: Brede impuls combinatiefuncties
Vanaf 2012 is de Impuls verder gegaan onder de naam Brede impuls combinatiefuncties. Hieronder vallen ook de buurtsportcoaches waarvoor het ministerie van VWS per 1 januari 2012 extra middelen beschikbaar heeft gesteld. De doelstelling is 2.900 fte aan combinatiefunctionarissen/ buurtsportcoaches.

Tips 

1 Breng de brede school onder bij één verantwoordelijk ambtenaar binnen de gemeente

De coördinerende ambtenaar heeft de volgende taken:

  • de raad en het college op een heldere wijze informeren over de totstandkoming van brede scholen in de gemeente
  • de collega-ambtenaren committeren aan de brede school, inclusief bijbuigen van budgetten en regelgeving vanuit de verschillende afdelingen en sectoren
  • interactief werken met scholen en instellingen als aanspreekpersoon vanuit de gemeente
  • nieuwe regelingen en stimuleringsmaatregelen vanuit de rijksoverheid (en provincies) die van belang zijn voor de brede school een plek geven in het ‘lopende brede schoolbeleid’

2 Formuleer criteria

Versnippering van tijd en geld ligt altijd op de loer. Zeker in een periode waarin de gemeente het aantal brede scholen verder gaat uitbreiden, is het zaak helder en eenduidig te omschrijven wat men precies onder een brede school verstaat. Stel daarom in overleg met de partners heldere eisen aan brede scholen of hanteer een keurmerk of kwaliteitscriteria waaraan brede scholen moeten voldoen om in aanmerking te komen voor subsidie.

Meer lezen?

  • Eijck, S. van (2006). Koersen op het kind, deel 1 en 2, Den Haag: Operatie Jong.
  • Lieshout, P.A.H. van, Meij, M.S.S. van der & Pree, J.C.I. de (red.) (2007). Bouwstenen voor betrokken jeugdbeleid, WRR, Amsterdam: AUP.
  • Valkestijn, M. & Studulski, F. (2006). Verslag van de expertconsultatie op 6 oktober 2006 over het beleidskader brede school 2006-2010. Utrecht: NIZW/Sardes
  • WRR (2005). Vertrouwen in de buurt. Den Haag: WRR
  • Berenschot, maatschappelijke kosten baten analyse brede scholen.