Wat kost een brede school?

Is een brede school als gebouw en organisatievorm duurder is dan een ‘gewone’ school? Bij de ontwikkeling van de eerste brede scholen in Nederland rekende menigeen zich nog wel eens rijk: brede scholen zouden zoveel efficiencywinst opleveren, dat met minder geld meer voorzieningen gerealiseerd zouden kunnen worden. Een vergelijking met een traditionele school is zoiets als appels met peren vergelijken.  Berenschot heeft een maatschappelijke kosten/batenanalyse (MKBA) gemaakt, die het waard is om door te lezen. Het rapport is een mooie introductie op dit hoofdstuk.

Bij de financiering van een brede school onderscheiden we een aantal kostenposten:

  • Grond, huisvesting, facilitair beheer en exploitatie
  • personeel & organisatie;
  • activiteiten/ werkbudget.

Huisvesting

Brede scholen komen regelmatig tot stand in nieuwe gebouwen. De multifunctionele accommodatie (MFA) is daarvan het bekendste voorbeeld. De stichtingskosten (exclusief infrastructuur, terrein e.d.) voor een nieuwe multifunctionele accommodatie variëren behoorlijk, afhankelijk van omvang en van ambitie.

Een nieuw gebouw is niet de enige optie. Vaak biedt een verbouwing ook al veel meerwaarde. Maar ook dan bedragen de investeringskosten al gauw 50% tot 60% van de nieuwbouwprijs. Daarnaast kan de realisatie van een MFA extra kosten met zich meebrengen. Bijvoorbeeld als gebouwen versneld moeten worden afgeschreven en afgebroken om een MFA mogelijk te maken Of als een MFA de blikvanger in de wijk moet worden en er gekozen wordt voor ambitieuze architectuur en een hoger afwerkingsniveau. Ook de complexiteit en de vaak langere duur van het ontwerpproces kunnen de begroting opdrijven.

Wat zijn de kosten per m2?

Door de VNG zijn normen opgesteld voor de vergoeding, de bouwkosten, die de gemeente minimaal voor scholenbouw beschikbaar moet stellen [link opnemen]. De vergoeding bestaat uit een startbedrag (vaste voet), waarin inbegrepen een aantal m2 en een bedrag per m2 voor de overige m2-ers bvo. De onderwijsnormering van de VNG wordt altijd inclusief BTW gerekend. BTW is voor het onderdeel onderwijshuisvesting een kostenfactor die niet verrekend (teruggevraagd) kan worden.

De vergoeding werd in 2014 bepaald op basis van de volgende bedragen:

Vaste voet, voor de realisatie van de eerste 350 m2 bvo: € 666.690

Elke volgende m2 bvo: € 1.140,89.

Een eenvoudige brede school met een 8 klassige basisschool (met 208 leerlingen) en 200 m2 bvo voor kinderopvang zou op basis van deze cijfers de volgende investering vragen:

Ruimtebehoefte: 200 m2 bvo vaste voet + 208 leerlingen * 5,03 = 1.246 m2 bvo.

€ 666.690,00 + (1.246 – 350) * € 1.140,89 = € 1.688.927 incl. BTW (€ 1.355 per m2 bvo).

Brede scholen die nu starten doen er goed aan een opslag op de VNG norm te hanteren. Hiervoor zijn de volgende redenen:

  • De gehanteerde VNG normvergoedingen zijn de afgelopen jaren aanzienlijk naar beneden bijgesteld. In 5 jaar tijd zijn de normbedragen met bijna 20% afgenomen. Deze daling werd veroorzaakt doordat het de afgelopen jaren door de crisis soms mogelijk was binnen de norm te bouwen. Volgens de Stichting Bureau Documentatie Bouwwezen SBDB is deze tendens binnen 2 of 3 jaar weer omgekeerd, omdat door faillissementen er steeds minder aannemers zijn en de crisis ten einde is en de vraag toeneemt, hetgeen automatisch weer leidt tot een prijsopdrijvend effect.
  • De VNG houdt geen rekening met aanvullende eisen van de gemeente, zoals duurzaamheidsaspecten, het Frisse Scholen programma en het aangescherpte Bouwbesluit, Daarnaast zullen de toekomstige exploitanten willen investeren in lage onderhouds-, energie- en schoonmaakkosten.

Is de investering haalbaar?

Voor de haalbaarheid is het van belang alle investeringskosten te vertalen naar een exploitatie:

  • Grondkosten > grondexploitatie
  • Sloopkosten > grondexploitatie
  • Afboeken boekwaarde bestaande gebouwen > grondexploitatie
  • Investeringskosten > vastgoedexploitatie
  • Facilitaire exploitatiekosten (zoals energie en schoonmaak) > facilitaire exploitatie.

Iedere exploitant vergelijkt zijn kosten met zijn huidige kosten. De vastgoedexploitatie kan vergeleken worden met de huidige vastgoedexploitatie en met de te verwachten huurinkomsten. In de regel zijn de huurders en gebruikers verantwoordelijk voor de facilitaire exploitatiekosten. Zij dienen de begrote facilitaire exploitatiekosten te vergelijken met de huidige facilitaire exploitatiekosten.

Wat kost een brede school?

schema-huisvesting

Bouwen om inhoud

Het komt nog steeds voor dat er een gebouw wordt ontwikkeld door de opdrachtgever met een architect, zonder dat er vooraf met alle brede school partners een gezamenlijke visie is geformuleerd. Die visie kan echter specifieke consequenties hebben voor het ruimtelijk programma van eisen voor het gebouw. Bijvoorbeeld:

  • Welke ruimten zijn nodig?
  • Welke hebben een exclusieve functie, bijvoorbeeld voor 0-4-jarigen of voor onderwijs?
  • Welke ruimten worden multifunctioneel (bijvoorbeeld groep 1 en 2 delen de ruimte met de BSO voor de onderbouw)?
  • Hoe groot zijn de ruimten?
  • Of en hoe wordt de verkeersruimte benut?
  • Hoe zijn verschillende ruimten gepositioneerd ten opzichte van elkaar?
  • Moet het gebouw splitsbaar zijn? En wat betekent dat voor de ingangen? En voor de installatie: Is er één installatie of zijn er meerdere?
  • Dient (een deel van) het gebouw geschikt te zijn voor avond en weekend gebruik?
  • Wat betekent multifunctioneel gebruik voor de (vaste) inrichting en het sleutelplan?
  • Wie betaalt welke vierkante meters en welke inrichting?

De ervaring leert dat vierkante meters die multifunctioneel gebruikt gaan worden vaak duurder zijn dan ruimtes die maar voor één doel worden gebruikt.

Stel per partner en voor de gemeente (onderwijshuisvesting en overige middelen) en eventuele andere betrokken zoals de woningcorporatie het beschikbare investeringsbudget vast. Koppel dit in de beginfase van het ontwikkelproces van de MFA of de verbouwing aan een grof ruimtelijk programma dat gebaseerd is op de inhoudelijke visie van de brede school partners. Dit voorkomt later frustratie en teleurstelling.

Personeel & organisatie

Brede scholen vragen van de partners die gaan ‘samenwonen’ in een nieuw gebouw verdergaande samenwerking en afstemming dan wanneer ieder apart gehuisvest wordt. Dat vraagt, o heeft de ervaring met veel brede scholen geleerd, om procesbegeleiding om een goede afstemming tussen gezamenlijke visie en de vertaling daarvan in de vorm, het gebouw, te verkrijgen. Gemeenten investeren vaak in die bijkomende kosten van een brede school, bijvoorbeeld door:

  • projectondersteuning tijdens de bouwfase en het eerste jaar (jaren);
  • brede school coördinatie;
  • combinatiefunctionarissen;
  • subsidies voor brede school activiteiten.

Meestal zijn dit (deels) incidentele middelen. Maar de samenwerking is structureel en vraagt ook structurele financiering. We geven een overzicht van de incidentele en structurele kosten.

Incidentele kosten, tijdens de bouw en ontwikkelfase

  • Projectleiding

De ontwikkeling van de brede school kan zeker de eerste jaren niet zonder een projectleider die op gemeentelijk niveau de touwtjes in handen houdt. Zoek een gangmaker met ervaring voor zo’n 20 uur per week (hbo-niveau). Budgetindicatie: € 50.000 op jaarbasis.

  • Werkbudget

De projectleider heeft een werkbudget nodig voor bijvoorbeeld communicatie, werkbezoeken, conferenties, scholing- en training en aanschaf van extra materialen. De omvang van het werkbudget varieert sterk, afhankelijk van het aantal brede scholen.

Budgetindicatie: € 50.000 op jaarbasis.

  •  Overleg

Tijdens de bouw- en ontwikkelfase is er extra overleg nodig tussen de partners: over het ontwikkelen van gezamenlijke visie, ruimtelijke programmavan eisen en bouwvergaderingen. Vaak gebeurt dit in een stuurgroep. Om zoveel mogelijk draagvlak bij alle betrokkenen te creëren zijn ook bijeenkomsten en gezamenlijke activiteiten, bijvoorbeeld bezoek aan een andere brede school, van de teams nodig.

Budgetindicatie: € 20.000 eenmalig, inclusief extra uren.

Structurele kosten

De personele kosten gekoppeld aan de primaire processen van de diverse partners zijn in principe gelijk aan ‘stand alone’ scholen en kindcentra. Maar er zijn ook structurele extra kosten als gevolg van overleg en afstemming. Eventuele efficiency is te behalen in de beheers- en exploitatiekosten.

  • Management op locatie

De samenwerking op locatieniveau moet ontwikkeld en gecoördineerd worden. Dit komt bovenop de reguliere taken van de brede school partners en zal dus aanvullend bekostigd moeten worden. De locatiemanager of coördinator is een betrouwbare voorzitter en regelaar voor 10 tot 15 uur per week (hbo-niveau), in te vullen door een externe partij, of als nevenfunctie bijvoorbeeld van een schoolleider.

Budgetindicatie: per locatie € 25.000 op jaarbasis.

  • Overleg

Het ontwikkelen en onderhouden van de inhoudelijke samenwerking en afstemming vraagt structureel overleg. Dat kan in werkgroepen per thema worden georganiseerd. Maar ten minste één keer per jaar is een activiteit voor het hele team wenselijk, bijvoorbeeld een gezamenlijke barbecue. Het plannen van deze overleggen vraagt aandacht en overleg omdat de werktijden van leerkrachten en medewerkers kinderopvang complementair zijn. De extra uren van de medewerkers kunnen onderdeel zijn van de niet lesgebonden- en taakuren.

Budgetindicatie: per locatie € 2.500

  • Beheer

Multifunctionele accommodaties vergen professioneel beheer.
De omvang 
van het beheer op een middelgrote MFA bedraagt 1-3 fte (mbo-niveau).

Budgetindicatie: € 30.000 – 50.000 op jaarbasis.

  • Exploitatielasten

Dit zijn de kosten voor het tot stand brengen en in stand houden van de accommodatie (kapitaallasten en onderhoudskosten). De baten zijn de huurinkomsten. In de beginjaren ’zijn er vaak aanloopverliezen en tegenvallende huuropbrengsten (als gevolg van verhuur van ruimten tegen aangepaste lagere tarieven). Op termijn moeten scholen en instellingen kostendekkend kunnen werken. Maar factoren als ruimere openingstijden, uitbreiding van het activiteitenaanbod, lagere huurprijzen, intensiever ruimtegebruik zijn niet altijd voldoende verdisconteerd in de exploitatie. Vaak is de gemeente als economisch eigenaar eindverantwoordelijk voor een sluitende begroting. Daarop anticiperend is het wijs om de eerste jaren een reservering te maken om tegenvallers op te vangen.

  • Kosten evaluatie 

Voor het volgen van de ontwikkelingen en het bepalen van de opbrengsten zal ook budget gereserveerd moeten worden. Die reservering is meestal opgenomen in de begroting van de projectleiding. De kosten voor monitoring en evaluatie worden veelal geschat op 5 tot 10 procent van het totaalbudget.

Activiteiten

Veel brede scholen kenmerken zich door het aanbieden van activiteiten. Een aanbod voor kinderen, ouders, buurtbewoners en/of speciale doelgroepen. De budgetten van dit aanbod moeten in een begroting terugkomen.

Activiteiten in de brede school kunnen voor een deel worden betaald door bestaande budgetten om te buigen. Maar soms gaat het om nieuwe, extra activiteiten. Met die bijkomende kosten zal men rekening moeten houden. Sommige gemeenten subsidiëren deze activiteiten als die niet kostendekkend zijn, om het aanbod – vooral voor minder draagkrachtige doelgroepen – betaalbaar te houden.

De tool begroting activiteiten, ontwikkeld door het Landelijk Steunpunt Brede Scholen, juli 2015, is een praktisch en direct bruikbaar hulpmiddel om met het maken van de begroting en de organisatie daaromheen aan de slag te gaan.