Huisvesting

Adequate huisvesting maakt het functioneren van de brede school makkelijker en bevordert de samenwerking . Adequate huisvesting betekent dat het gebouw past bij de inhoudelijke visie op de brede school. Dat kan al dan niet nieuw, al dan niet met één dak en al dan niet multifunctioneel.

MFA, campus of stand-alone?

Er zijn verschillende huisvestingsvarianten van brede scholen. Om te bepalen welke het meest geschikt is kijkt u naar:

  1. de inhoudelijke visie op de brede school;
  2. de financiële haalbaarheid;
  3. de fysieke mogelijkheden in de wijk.

Er zijn drie varianten:

De multifunctionele accommodatie (MFA)

In een multifunctionele accommodatie zijn meerdere voorzieningen en disciplines onder één dak gehuisvest. De term multifunctioneel verwijst naar de mogelijkheden om ruimten in het gebouw voor meerdere functies te gebruiken. Er worden op basis van de samenwerking vier vormen onderscheiden. Zij hebben ieder consequenties voor de vormgeving van het gebouw (ontleend aan Verhees, 2003).

  • Back to back
    De organisaties hebben geen zicht op elkaar, er is minimale samenwerking en ruimten worden niet gedeeld of multifunctioneel gebruikt. Dit is een bedrijfsverzamelgebouw.
  • Face to face
    De organisaties hebben een open houding naar elkaar. Ze kennen elkaars expertise, stemmen hun werkzaamheden op elkaar af en enkele ruimten worden multifunctioneel gebruikt.
  • Hand in hand
    Het geheel is meer dan de som der delen. Er is sprake van synergie en door nauw samenwerken realiseren de organisaties samen een kwalitatief hoger voorzieningenniveau. Waar mogelijk maakt men gebruik van elkaars ruimten.
  • Cheek to cheek (waaronder  IKC)
    De afzonderlijke organisaties geven hun autonomie (gedeeltelijk) op en gaan op in één organisatie, die een integraal aanbod verzorgt. Wat het gebruik van het gebouw betreft geldt: niets is van iemand, alles is voor iedereen.

In bijna de helft van de gevallen worden de organisaties die bij de brede school zijn betrokken onder één dak gehuisvest. Het IKC is in Nederland de populairste nieuwbouwvariant voor brede scholen.

Voordelen van een MFA

  • Er zijn optimale mogelijkheden voor efficiënt en multifunctioneel ruimtegebruik.
  • Het gebouw kan een impuls geven aan inhoudelijke samenwerking. Bijvoorbeeld door gezamenlijke voorzieningen, zoals een personeelsruimte.
  • Voorzieningen kunnen laagdrempelig en toegankelijk worden aangeboden aan kinderen en ouders. Bijvoorbeeld door voor hen één loket (balie) in te richten.

Nadelen van een MFA

  • Het beheer- en exploitatiemodel is relatief complex.
  • Hogere begeleidingskosten door complexer bouwheerschap en meestal een langduriger bouwtraject. De begeleidingskosten zijn daardoor vaak hoger.
  • Meerdere gebruikers moeten gezamenlijk opereren. Partijen kunnen onderweg afhaken.
  • Grootschaligheid kent ook grenzen. Teveel mensen in één gebouw kunnen de veiligheid(sbeleving) en het leef- en werkklimaat van kinderen, ouders en professionals in de weg staan.

De campus

Met de campus bedoelen we een cluster van gebouwen in elkaars directe nabijheid. Dit wordt ook wel getypeerd als het brinkmodel, of het dorpsplein (bij brede scholen is dat de gezamenlijke buitenruimte). Alle voorzieningen staan rond het plein, op loopafstand voor kinderen, ouders en personeel.

Voordelen

  • De partners bevinden zich op loopafstand van elkaar en zijn daardoor goed bereikbaar.
  • De bouw en het beheer zijn relatief eenvoudig en desgewenst kan de eigen identiteit worden gewaarborgd.
  • De huisvesting heeft een kleinschaliger karakter.
  • De huisvesting is soms makkelijker inpasbaar in de omgeving

Nadelen     

  • Er is geen efficiencywinst, de mogelijkheden voor multifunctioneel ruimtegebruik en gezamenlijk beheer zijn beperkt.
  • Ontmoeting van gebruikers, kinderen en ouders komt minder spontaan tot stand.

Stand alone gebouwen

Dit is de traditionele manier van bouwen: scholen, buurthuizen, kinderopvang en overige samenwerkende voorzieningen zijn verspreid over locaties in de wijk gehuisvest.

Voordelen

  • Deze aanpak bouwt voort op de bestaande huisvesting, er zijn geen grote (steden)bouwkundige ingrepen vereist.
  • Er is geen complexe beheerconstructie nodig.

Nadelen     

  • Er is geen efficiencywinst.
  • Multifunctioneel ruimtegebruik ligt niet voor de hand.
  • De huisvesting geeft geen impuls tot samenwerken.
  • Er moet geregeld worden hoe kinderen van de ene voorziening naar de andere komen.
  • De partners zijn letterlijk (en daarmee vaak ook figuurlijk) op afstand van elkaar.

De brede school is minder zichtbaar

Natuurlijk zijn er ook combinaties van varianten mogelijk. Bijvoorbeeld scholen en welzijn onder één dak, met een cluster van voorzieningen voor jonge kinderen (kinderdagverblijf, peuterspeelzaal en consultatiebureau) aan de overkant van het plein.

Stappen in het bouwproces

Het realiseren van nieuwe huisvesting – vervangende nieuwbouw of aanpassingen aan bestaande gebouwen – behelst meer dan het bouwproces. Een goede voorbereiding is zeer belangrijk. Het uitgangspunt daarbij is dat het gebouw geen doel op zich is, maar dat het bedoeld is om een samenwerkingsvorm en een voorzieningenaanbod te faciliteren. Een architect kan helpen om vanuit nieuwe ideeën te denken over de (on)mogelijkheden van een gebouw.

Het bouwproces wordt dus vooraf gegaan door visieontwikkeling. Het bouwproces start met een inventarisatie van ruimtebehoefte, gevolgd door een vertaling van visie in ruimte. Dat mondt na verdere verkenningen en besluitvorming uit in een programma van eisen. Daarna kan het ontwerp worden opgesteld, de aanbesteding plaatsvinden en het gebouw worden neergezet.

De realisatie van een gebouw vanaf de eerste voorbereidingen tot en met de opening neemt al gauw drie jaar in beslag. Vaak duurt het traject langer, omdat samenwerking meer tijd vraagt, door verschillende procedures, door veranderingen in de haalbaarheid bijvoorbeeld.

Het bouwproces: in zeven stappen van idee naar sleuteloverdracht. Bron: Handboek brede school.

Stap 1

Inventarisatie van ruimtebehoefte en bestaande huisvesting

De plattegronden van de wijk komen op tafel. Dan worden de volgende deelstappen gezet:

  • Inventarisatie van de behoefte van partners, ouders én van wijkbewoners. Deze wordt vertaald in de toekomstige ruimtebehoefte van de partners de komende jaren. Voor het onderwijs biedt een Integraal Huisvestingsplan (IHP) uitkomst. Daarin wordt aangegeven wat leerlingprognoses en onderwijsvernieuwingen betekenen voor de tijdelijke en permanente behoefte aan lokalen en voor de meerjarige onderhoudsplanning.
  • Inventarisatie van de bestaande huisvesting: breng in kaart hoe scholen en instellingen nu gehuisvest en gefinancierd zijn en welke mogelijkheden en knelpunten de huidige ruimtes en budgetten hebben.
  • Globale planning van het bouwproces: moet de bouw in één keer plaatsvinden, of kan het gefaseerd worden over een langere periode. Welke bouwcontractvorm is wenselijk?
Mogelijke bouworganisatievormenVan oudsher wordt er, na opstellen van een programma van eisen, voor een gebouw eerst een ontwerp gemaakt door een architect, eventueel in samenwerking met adviseurs. Dit wordt vertaald in een bestek. Daarna worden uitvoerende partijen gezocht die het bestek gaan uitvoeren. De opdrachtgever neemt vervolgens het gebouw in gebruik en is verantwoordelijk voor het onderhoud en de exploitatie (het zogenaamde traditionele model).Naast dit traditionele model zijn er geïntegreerde bouwcontractvormen. Hier worden verschillende fasen uit de huisvestingscyclus, zoals ontwerp, bouw en onderhoud, gebundeld in één integrale opdracht.Om de keuze voor een bepaald model goed te kunnen maken, zal bekeken moeten worden welke aspecten voor de opdrachtgever en de gebruikers van belang zijn en hoe deze aspecten binnen de twee verschillende bouworganisatiemodellen aan de orde komen. Dit betreffen de volgende aspecten:1. Mate van invloed van de gebruikers op de keuze van het ontwerp en de mogelijkheid om voortschrijdend inzicht in het ontwerp te verwerken.

2. Zekerheid omtrent het moment waarop de projectkosten vaststaan en de hoogte ervan.

3. Mate waarin het beschikbare budget ten goede komt aan het gebouw en niet aan bijkomende kosten

4. Beheersen van de doorlooptijd

5. De mate waarin de uitvoeringsdeskundigheid van de aannemer in het ontwerp wordt benut.

6. Mate waarin aandacht wordt besteed en kennis van de markt wordt benut inzake kosten voor onderhoud en beheer

Zie voor een een vergelijking in onderstaande tabel.

Zie voor meer info: http://www.kbkbouwgroep.nl/bouw/bouworganisatiemodellen, http://www.bouworganisatie.nl/bouworganisatievormen/bouworganisatievormen,

schema-huisvesting

Stap 2

Van visie naar vorm

Uit de visie die de partijen in de initiatieffase hebben geformuleerd en het activiteitenaanbod dat zij voor ogen hebben, worden de ruimtelijke consequenties afgeleid. Dat gebeurt voor de korte en de lange termijn: het nieuwe gebouw zal toch op zijn minst veertig jaar mee moeten kunnen. De volgende aandachtspunten zijn van belang:

  • Inhoud vertalen in ruimte: de gezamenlijke visie maar ook de visie van elke partner op de eigen kerntaken worden vertaald in een ruimtelijk-functionele visie. Dat geldt voor het onderwijskundig concept van de school en de pedagogische visie van de kinderopvang maar ook de overige partners zullen de ruimtelijke consequenties van hun beleid moeten formuleren. Als het cultureel centrum bijvoorbeeld meer wijkgericht wil gaan werken, heeft dat gevolgen voor de huisvesting als activiteiten nu nog op één centrale locatie in het centrum van de gemeente worden aangeboden. De inhoudelijke wensen worden vastgelegd in een inhoudelijk programma van eisen. De normen voor huisvesting worden steeds meer gedereguleerd, waardoor er meer visie van de deelnemers wordt gevraagd.
  • Mate van nabijheid: bespreek de mogelijkheden, de wenselijkheid en de meerwaarde van huisvesting van meerdere partners onder één dak.
  • Multifunctionaliteit: verken de mogelijkheden voor gezamenlijk beheer en multifunctioneel ruimtegebruik. Een relatieschema kan daarbij helpen. Dat geeft weer welke ruimten de participanten globaal tot hun beschikking hebben, wat de relaties zijn tussen de ruimten, welke ruimten één functie hebben en welke door meerdere partijen gebruikt kunnen worden.
  • Flexibiliteit: houd mogelijkheden open om later nieuwe functies en voorzieningen te huisvesten. Omdat die voorzieningen er nu niet zijn, zijn ze soms moeilijk voorstelbaar. Het kan bijvoorbeeld gaan om werkruimten voor de groeiende groep assistent-leerkrachten, een mediatheek of horecavoorzieningen. Maar ook de ombouw van lokalen tot appartementen of vice versa kan een optie zijn.

Stap 3

Verkenning mogelijkheden

In deze stap wordt een keuze gemaakt tussen multifunctionele nieuwbouw en verbouwing van bestaande gebouwen. Daarbij wordt rekening gehouden met de fysieke mogelijkheden in de wijk. Hier volgt een aantal aandachtspunten:

  • Stel grenzen aan inspraak: partners laten meepraten is goed voor de betrokkenheid (draagvlak), maar meepraten over de technische keuzes en de keuze van de materialen kan ook tot onnodige vertraging leiden.
  • Vergeet niet de buitenruimten in de plannen op te nemen. Deze vormen vaak een sluitpost. Toch zijn de buitenruimten een integraal onderdeel van de MFA. Daar horen ook de ingangen, speelruimte voor kinderen, het verkeerscirculatieplan, de parkeerruimte, fietsenstallingen haal- en brengplekken bij (die verschillen per voorziening).
  • Besteed aandacht aan de positionering van de verschillende voorzieningen en de looproutes die daarbij horen. Voorkom dat lawaaierige ruimten en ruimten waar geconcentreerd gewerkt moet worden naast elkaar geplaatst worden, of zorg voor extra isolatie.
  • Denk aan de ruimte voor het beheer, die nodig is voor het beheren van een groter gebouw.
  • Denk aan voldoende opslagruimten, want als verschillende instellingen en clubs gebruik maken van het gebouw is daar altijd een tekort aan.

Stap 4

Besluitvorming en financiën

Volg bij de financiële vertaling van de huisvestingsplannen zoveel mogelijk een integrale benadering: verbind beleidslijnen uit de verschillende sectoren met elkaar en kijk naar beleid op de lange termijn. Beschouw bijvoorbeeld de toekomstige huisvesting van kinderopvang en peuterspeelzalen, buurthuizen, scholen, consultatiebureaus in samenhang met het voortbestaan van bibliotheekfuncties in de wijk, de locatie van sportfaciliteiten, wijkontwikkelingsplannen en investeringen in stedelijke vernieuwingen. Uiteindelijk blijken er meestal meerdere scenario’s voor nieuwbouw mogelijk te zijn. De betrokken organisaties en de gemeenteraad zullen de voor- en nadelen van elk scenario en de bekostiging ervan moeten afwegen.

Het is raadzaam ieder scenario te vertalen naar totale bruto ruimtebehoefte, bouwoppervlak (verdeling begane grond en verdieping(-en), exploitatiekosten eigenaar en exploitatiekosten huurders/ gebruikers. Op die manier kent iedere betrokkene de kwantitatieve kaders en kan men deze op haalbaarheid toetsen. Binnen die kaders wordt gewerkt aan stap 5.

Stap 5

Bouwen op papier

Centrale begrippen in deze stap zijn het ruimtelijk-functioneel en technisch programma van eisen (PvE), het voorlopig ontwerp (VO), het definitief ontwerp (DO) en het Bestek. Een valkuil is dat de discussies te snel gaan over aantallen vierkante meters en stopcontacten. De visie op onderwijs, ontwikkeling en samenwerking is echter belangrijk voor de architect. Eerst wordt op basis daarvan een globaal functioneel en ruimtelijk PvE gemaakt. Per ruimte worden vervolgens de te vervullen functies en afmetingen vastgelegd. Daarna volgt uitbreiding van het PvE met technische prestatie eisen. Een PvE kan relatief snel tot stand komen als in de voorbereidingsfase al een visiedocument, werkplan, activiteitenplan en een relatieschema zijn opgesteld.

De gebruiksmogelijkheden liggen met een PvE grotendeels vast. Het definitieve PvE bevat alle benodigde informatie voor investeringsraming, planning en exploitatiebegroting. Het kan zinvol zijn om een architect bij het opstellen van het PvE te betrekken, omdat die zicht heeft op de ruimtelijke en technische mogelijkheden. Houd in een PVE alvast rekening met toekomstig onderhoud en exploitatie. Dit is zinvol met het oog op kostenreductie op het moment dat het gebouw eenmaal in gebruik is.

Vervolgens kan de architect daadwerkelijk aan de slag. Bij een traditioneel bouwproces bevat het VO een opzet op hoofdlijnen van de accommodatie. In het DO volgt een uitwerking daarvan. VO en DO worden aan het oorspronkelijke PVE getoetst. Het Bestek tenslotte bevat een uitwerking op detailniveau.

Stap 6

Bouwen in de praktijk

In de laatste stap van het traditionele bouwproces wordt het project aanbesteed aan een aannemer. De oplevering van het gebouw en overdracht aan de eigenaar of beheerorganisatie vormen het eindpunt van het bouwproces. In deze fase blijkt vaak dat er tegenstrijdige regelgeving is, omdat GGD, brandweer en ARBO verschillende richtlijnen hanteren. Juist bij een MFA worden die tegenstrijdige richtlijnen zichtbaar. Het is daarom zaak om deze instanties zo vroeg mogelijk bij deze stap te betrekken, zodat men nog tijdens de bouw wijzigingen kan aanbrengen (bijvoorbeeld in de hoogte van de lampen of in de openingsrichting van een deur).

Stap 7

Oplevering

Een nieuwe multifunctionele accommodatie kan een groot en ingewikkeld gebouw zijn. Veel verschillende (onder)aannemers leveren een bijdrage en dat gaat niet altijd vlekkeloos. Het hoort erbij dat er fouten worden gemaakt bij de installatie en de afwerking. Zorg dat bij de oplevering duidelijke wordt gecontroleerd of alles volgens afspraak is gebeurd. Bepaal gezamenlijk wie daarvoor verantwoordelijk is of zijn.

Wie trekt de kar?

De betrokken organisaties doorlopen gezamenlijk de stappen in het bouwproces. Toch is het belangrijk dat één partij de kar trekt – een partij die visie heeft en die het gezag heeft om de partijen bij elkaar te houden. Vaak heeft de gemeente als toekomstig eigenaar deze rol, maar het kan ook een woningcorporatie of schoolbestuur zijn, of een externe projectleider die door één of meer partijen wordt aangesteld. Deze partij stelt een planning op, controleert de voortgang, en houdt de partijen aan de gemaakte afspraken. Ze houdt daarbij wel de diverse wettelijke bepalingen in het oog (bestemmingsplan, omgevingsvergunning, inspecties en bouwbesluiten). Afhankelijk van de benodigde expertise, zetten de organisaties bij verschillende stappen verschillende vertegenwoordigers in. Zo kan stap twee het best worden uitgevoerd door inhoudelijk georiënteerde vertegenwoordigers (bijvoorbeeld schoolleiders en vestigingsmanagers), terwijl stap 5 en 6 vragen om aanvullende specifieke kennis van bouwprocessen, die het best ingebracht kan worden door ervaren bouwmanagers van de organisaties. Schoolleiders en vestigingsmanagers volgen het proces van A tot Z, zij houden het overzicht en de verbinding met de dagelijkse praktijk. Zij gaan het gebouw straks immers gebruiken. De gemeente speelt een grote rol bij alle stappen. In stap 1 is efficiënte informatievoorziening vanuit alle betrokken afdelingen cruciaal voor de inventarisatie. In stap 4 moeten de plannen op tijd voor besluitvorming aan commissies en de gemeenteraad worden voorgelegd. Het is verstandig de gemeenteraad al vanaf stap 1 te informeren. Voor stap 5 en 6 is het bouwheerschap aan de orde. Dat rol kan vervuld worden door de gemeente of door een woningcorporatie of schoolbestuur.